Pas de oude faillissementswet nu eens aan
- Details
- Gepubliceerd: dinsdag 21 mei 2013 09:59
Onderaannemer René Brown van Aannemingsbedrijf Oxalis in Opmeer heeft een logisch idee bedacht om onderaannemers te beschermen als een groot bouwbedrijf waar ze voor werken failliet gaat. Stel een O-rekening - de O van onderaannemers - in die beheerd wordt door de opdrachtgever. Als de hoofdaannemer een termijn declareert, wordt naar rato van de verdeling van het werk tussen hoofdaannemer en onderaannemers ook de betaling gesplitst: de hoofdaannemer krijgt het percentage voor het werk dat hij zelf verricht en de rest wordt gestort op de O-rekening. Van die rekening kunnen alleen onderaannemers betaald worden. Gaat een hoofdaannemer failliet, dan gaat dat niet ten koste van de onderaannemers. "Nu kunnen wij fluiten naar onze centen," zegt Brown.
Voor een goed begrip van Browns idee maakt hij een uitstapje naar de al bestaande G-rekening in de bouw. De hoofdaannemer stort op die geblokkeerde rekening een percentage van de aanneemsom van de onderaannemer. Die gelden vallen pas vrij als de hoofdaannemer en ook alle onderaannemers alle sociale premies voor de werknemers hebben afgedragen. De hoofdaannemer moet voor die afdracht van de sociale lasten zorgen als gevolg van de Wet Keten Aansprakelijkheid. Als alle sociale lasten zijn afgedragen kan de ondernemer de belastingdienst verzoeken om het openstaande bedrag van de geblokkeerde rekening over te maken op de vrije rekening. Zolang alle lasten nog niet zijn afgedragen, kan bijvoorbeeld de belastingdienst verhaal halen op die G-rekening. Deze G-rekening constructie bestaat al, voor de werknemers in de bouw is het dus al bij wet perfect geregeld. Nu moet de politiek zich erover gaan buigen dat op deze manier ook per wet geregeld gaat worden dat de onderaannemers beschermd gaan worden. Maar ook opdrachtgevers als rijk, provincie en woningbouwverenigingen kunnen zelfstandig deze constructie samen in gaan stellen, want bij faillissement van een hoofdaannemer zijn het immers ook de opdrachtgevers die schade oplopen.
René Brown legt zijn O-rekening uit aan de hand van een rekenvoorbeeld. "Stel dat een hoofdaannemer een werk aanneemt van 10 miljoen euro en gecalculeerd heeft dat hij voor 8 miljoen euro aan onderaannemers inhuurt. Nu is de situatie dat als de hoofdaannemer een termijn instuurt dit voor de volle 100 procent naar de rekening van de hoofdaannemer wordt overgemaakt. Dus als een termijn van 100.000 euro gefactureerd wordt, gaat dat bedrag eerst volledig naar de hoofdaannemer waarna die de onderaannemers uiteindelijk 80.000 euro betaalt. Als het goed gaat moeten we in het slechtste geval langer wachten op ons geld. Maar als een hoofdaannemer failliet gaat, staan alle onderaannemers met lege handen terwijl alles wat wij dagelijks aanbrengen, en nog ons eigendom is, in een klap niet meer van ons is. De betalingen aan de hoofdaannemer vallen in de boedel. De banken en belastingdienst gaan voor en voor de onderaannemers blijft er dan niets over, zo is de praktijk."
René Brown pleit nu, naar analogie van de G-rekening, voor een O-rekening, te beheren door opdrachtgevers als Rijk, provincie of woningbouwvereniging en NIET door banken of hoofdaannemers, want deze zullen absoluut niet blij worden van deze constructie. Het komt erop neer dat als een termijn door de hoofdaannemer gefactureerd wordt, de opdrachtgever een vooraf bepaald deel overmaakt naar de hoofdaannemer en een deel stort op de O-rekening, waarvan alleen onderaannemers betaald kunnen worden. Brown: "Het is een gemakkelijk systeem, het is heel overzichtelijk en heel goedkoop in de uitvoering. En we weten dat het werkt bij de G-rekening."
Als het aan René Brown ligt moet de politiek ingrijpen met wetgeving en aanpassing van de faillissementswet. "De grote aannemers hebben natuurlijk alleen maar voordelen bij het huidige betaalsysteem in de bouw. Die grote bedrijven gaan dat natuurlijk niet vrijwillig veranderen. Zelfs vakbladen voor de bouwsector die ik dit verhaal heb aangeboden, willen het niet publiceren. Ze zijn natuurlijk ook afhankelijk van de grote spelers in de bouwsector, maar dan kunnen ze wel straks hun verhaal breeduit meten wat de reacties zijn van de hoofdaannemers. Belangrijk is dat politiek, rijk, provincie en woningbouwverenigingen zich gaan beraden hoe ze dit gaan oplossen, want vrijwillig wordt door de hoofdaannemers niets bedacht voor een oplossing voor de onderaannemers, dus hebben de onderaannemers de opdrachtgevers van deze hoofdaannemers nodig. De onderaannemers doen ook hierbij een beroep op hun verantwoordelijkheid in het maatschappelijk onderneme